"Nu besef ik hoezeer het vak leraar past bij wie ik ben en waar ik voor sta."
Oskar Verholt volgde, net als zijn collega Thomas Vissers, een traineeship in Ede, die hem de mogelijkheid bood om als zij-instromer aan de slag te gaan in het onderwijs. Hij vertelt over zijn bijzondere route naar het docentschap, de drijfveren achter zijn keuzes, hoeveel plezier hij beleeft aan de gesprekken met zijn leerlingen en waarom hij maatschappijleer een cruciale rol toebedeelt in vorming en ontwikkeling. ‘Het gaat om belangrijke vraagstukken als identiteit, kritische meningsvorming, omgaan met jezelf en de ander en ethiek.’
Mijn jeugd
Ik ben de jongste van vier kinderen en groeide op in Wezep, aan de rand van de Biblebelt. In een gezin waar maatschappelijke betrokkenheid vanzelfsprekend was, maar nooit luidruchtig. De krant lag op tafel, het achtuurjournaal stond aan en meningen werden gevormd in gesprek. Niet om gelijk te krijgen, maar om te begrijpen waar standpunten vandaan kwamen. Kerk en geloof waren wel aanwezig als referentiekader, maar niet als dogma. Juist die combinatie van structuur, moreel besef en ruimte voor eigen afwegingen heeft mijn blik op mens en maatschappij blijvend gevormd.
Nieuwsgierigheid als vertrekpunt
Terugkijkend wist ik op de middelbare school eigenlijk nog helemaal niet wat ik wilde worden. Wel was er een duidelijke fascinatie voor macht, politiek en maatschappelijke verhoudingen. Ik zat in het debatteam en vond het interessant om te onderzoeken waarom mensen zo verschillend tegen dezelfde werkelijkheid aankijken. Die nieuwsgierigheid leidde me naar een studie politicologie, later aangevuld met filosofie, aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Niet omdat ik op zoek was naar eenduidige antwoorden, maar juist omdat ik leerde omgaan met complexiteit, tegenstrijdigheden en onzekerheid. In de sociale wetenschappen ontdekte ik dat menselijk gedrag zelden causaal te verklaren is, maar vaak draait om context, geschiedenis en waarschijnlijkheden.
Van abstractie naar praktijk
Na mijn studie werkte ik enkele jaren aan de universiteit, in informatiemanagement en automatisering. Daarna volgde een periode in de accountancy, waar ik als assistent-accountant en later in de controlepraktijk werkte. Inhoudelijk vond ik het werk interessant en belangrijk, maar gaandeweg merkte ik dat het mij steeds minder voldoening gaf. Zeker tijdens de COVID-periode werd dat gevoel sterker. De afstand tot mensen, het werken met cijfers en structuren zonder zichtbare menselijke ontwikkeling, begon te schuren. Wat bleef, was het besef dat keuzes – ook financiële – altijd waarden weerspiegelen. Dat een begroting nooit neutraal is, maar altijd het resultaat van prioriteiten.
De overstap naar onderwijs
Het onderwijs bood mij een context waarin analyse, waarden en mensgerichtheid samenkomen. Het traineeship voor zij-instromers gaf me de mogelijkheid om die overstap serieus en begeleid te maken. Wat mij aantrok, was dat ik niet alleen kennis overdraag, maar bijdraag aan de vorming van jonge mensen. In het begin was dat zoeken: lesgeven terwijl je zelf nog volop leert, didactiek ontwikkelen terwijl je al voor de klas staat. Zeker omdat het vak maatschappijwetenschappen relatief klein is en niet overal stevig lesmateriaal beschikbaar is, voelde het soms alsof ik het wiel opnieuw moest uitvinden.
Waarom maatschappijleer
Maatschappijleer past bij mij omdat het gaat over hoe mensen samenleven, botsen en elkaar proberen te begrijpen. Mijn opvoeding heeft me geleerd dat een mening hebben niet genoeg is; het gaat om de onderliggende overtuigingen en waarden. In mijn lessen probeer ik daarom ruimte te maken voor vragen als: waarom vind jij dit belangrijk? En wat gebeurt er als jouw overtuiging botst met die van een ander? Mijn eigen mening is daarbij niet leidend. Ik zie mijn rol vooral als gespreksbegeleider, iemand die leerlingen helpt hun denken te ordenen en perspectieven te verkennen.
Relatie en nabijheid
De eerste jaren voor de klas zijn intens en soms confronterend. Klassen reageren verschillend, lessen lopen anders dan gepland en niet alles is maakbaar. Wat mij geholpen heeft, is het besef dat relaties de basis vormen van leren. Door oprechte interesse te tonen, humor te gebruiken en aan te sluiten bij de leefwereld van leerlingen ontstaat vertrouwen. Dat doe ik via actualiteit, beeldmateriaal, een artikel, een fragment van Lubach of een documentaire die schuurt. Momenten waarop een klas gefascineerd door een verhaal stilvalt, een gesprek echt op gang komt of leerlingen elkaar beginnen te bevragen, geven mij energie.
Wat leerlingen meenemen
Als leerlingen leren om kritisch naar zichzelf en hun omgeving te kijken, met oog voor de menselijkheid van de ander, dan is mijn missie geslaagd. Ik wil hen laten ervaren dat zij niet machteloos zijn, maar handelingsbekwaam. Dat ze invloed kunnen uitoefenen, vragen mogen stellen en verantwoordelijkheid kunnen nemen. Niet alles hoeft leuk te zijn, maar leren mag wel betekenisvol voelen. Verwondering is daarbij essentieel, bij hen, maar ook bij mij.
Vooruitkijken
Nu mijn bevoegdheid bijna binnen is, zie ik de komende jaren vooral als een fase van verdieping. Beter worden in het vak, blijven lezen, blijven reflecteren en blijven zoeken naar manieren om leerlingen te raken. Niet omdat het moet, maar omdat ik voel dat dit is waar ik hoor te zijn. Het onderwijs is voor mij geen eindpunt, maar een plek waar ontwikkeling – van leerlingen én van mezelf – elke dag opnieuw begint.










